Historie

Rond 600 jaar voor Christus vestigden zich de eerste bewoners in het Groninger kustgebied. De kwelderruggen, de hogere gedeelten van het waddengebied, werden zo’n 600 jaar voor Christus in de lente en zomer bewoond. De herfst en de winter werden toen nog doorgebracht op het hoger gelegen Drents plateau, waarvan de Hondsrug tot onder de huidige stad Groningen loopt. In de winter spoelden de huizen vaak weg en bij het herbouwen in de lente werd de grond waar het huis moest staan opgehoogd. Zo ontstonden de Groninger wierden in een weids kweldergebied, dat nog regelmatig overstroomde. Men hoogde voor ieder huis een eigen kleine wierde op. Later groeiden die kleine wierden aan elkaar en ontstonden de huidige dorpswierden; dat was zo’n 200 jaar voor Christus. Op de dorpswierden stonden meerdere boerderijen om een dobbe, een plek waarin zoet water werd bewaard. Later werd bij deze plek vaak de kerk gebouwd.

 

Eenrumer toren

Het water in de prielen en maren, die door de kwelders liepen, was brak, licht zout; ook het land was brak. Een aantal gewassen zoals gerst, vlas, huttentut en duivenboon wilde nog groeien in de zilte grond, maar veel vrucht droegen ze niet. De mensen leefden voornamelijk van veeteelt ( schapen, paarden en runderen en kippen), alsmede de handel in zout en barnsteen. Ruilhandel was er met de Drentse gebieden, waar hout en broodgraan vandaan kwamen. In de romeinse tijd was er een levendige handel met Zuid-Nederland. In de vroege middeleeuwen breidde de handel zich zelfs uit tot Duitsland, Engeland en Scandinavië, hetgeen valt af te leiden uit het aardewerk dat in dorpswierden is gevonden.

Eenrum behoort tot de tweede generatie wierden. In de zesde en zevende eeuw ontstaan pas de wierden van Ulrum, Leens, Wehe en Menneweer. Uit de naamgeving kan vaak worden afgeleid wanneer de wierden zijn ontstaan. De eerste generatie wierden hebben namen die eindigen op -inge. De tweede generatie op -ward, -werd, -wier, -heim of -um. Daarna worden de uitgangen -weer, -wold en -huizen gebruikt; de namen van de jongste dorpen eindigen op -buren.

Uit vondsten van romeinse munten kan worden afgeleid dat de bewoning in het Marnegebied in stand bleef, ook al waren er regelmatig grote overstromingen in het gebied. In de tiende eeuw waren deze overstromingen zo zwaar dat de Lauwerszee en het waddengebied ontstonden. De Hunse, de rivier die het Drentse water naar zee vervoerde, mondde daardoor niet langer bij Pieterburen in zee uit, maar bij Zoutkamp, hetgeen nu nog steeds het geval is.
In de elfde eeuw werd begonnen met het aanleggen van dijken; eerst van wierde naar wierde. Later werden echte ringdijken opgeworpen en stukken kwelder ingepolderd, totdat de gehele Groninger kustlijn was beschermd.

Na de bedijkingen werd Eenrum een agrarische nederzetting. De stukken land die door de inpoldering vrijkwamen, werden gebruikt als akkerland, weiland en hooiland. Vele archeologische vondsten getuigen van een intensieve landbouw en het verwerken van de gewassen. Reeds uit de negende eeuw is er een plaatsnaam bekend: Uidinum. Uit de registers van het Duitse klooster Werden blijkt dat het dorp achtereenvolgens in de tiende, elfde en twaalfde eeuw Arneron, Arnarion en Arneru heette. In een geschrift uit 1378 valt de naam Enrum en Ernerum te lezen.

De meest belangrijkste historische gebeurtenis waarbij de naam van Eenrum valt, is de oorlog tussen Eenrum en Uithuizen in 1231. De gezworenen van de Upstalboom, de toenmalige rechterlijke macht, wezen Rottumeroog toe aan Uithuizen. Het leidde tot een oorlog, met over en weer veldslagen en doodslag, waarbij de burggraaf van de stad Groningen en de Hunzingoërs de Eenrumers hulp boden; de Uithuizers werden bijgestaan door de Fivelgoërs. De boerenoorlog kwam ten einde in september 1232 doordat de Hunzingoërs de strijd verloren, maar de vrede werd pas in 1250 gesloten, toen de Hunzingoërs en Fivelgoërs gezamenlijk tegen de stad Groningen in het geweer kwamen wegens onredelijke verhoging van de graanprijzen.
Ook in de strijd tussen de Schieringers en de Vetkopers, een strijd in de vijftiende eeuw om de macht op het Groninger Hogeland, komt de naam Eenrum voor. Het belangrijke steenhuis ten noorden van Eenrum, de borg van de adellijke familie Herathema, werd in 1415 door de stad Groningen, de Vetkopers, geplunderd en deels verwoest. De familie verkoopt daarna de bezittingen aan de Stad. In de zestiende eeuw wordt de borg uiteindelijk geheel afgebroken en de stenen worden in de stad gebruikt om nieuwe steenhuizen te bouwen voor de nieuwe handelselite.